Motoriek
Onderstaand de aangepaste versie van de lezing gehouden tijdens een workshop
van de Klub Lange Mensen
op 27 november 2004 door Wil van Rijn, motorisch remedial teacher (Centrum voor MRT-ABC).
Op veler verzoek wordt deze workshop herhaald tijdens de workshopmiddag op 26
februari 2005. Zie de pagina Nieuws voor
nadere informatie.
Motorische remedial teaching
Wanneer je in een auto stapt en wegrijdt, sta je niet stil bij het complex aan motorische handelingen die je verricht.
Je ontkoppelt met de linkervoet, geeft gas met de rechtervoet en draait op hetzelfde moment het contactsleuteltje om.
Nog gecompliceerder wordt het wanneer je deelneemt aan het verkeer: anticiperen op verkeerssituaties, richting aangeven naar links/rechts, adequaat handelen in die richting.
Je volvoert met armen en benen los van elkaar staande bewegingen terwijl er tegelijkertijd zelfs naar de radio geluisterd kan worden.
Kortom: je bent in staat een veelvoud aan handelingen te verrichten zonder erbij na te denken.
Voordat een kind zover is moet het een aantal ontwikkelingsfasen doorlopen.
Een kind dat geboren wordt kan alleen bewegen door middel van reflexen. De ontwikkeling van het zenuwstelsel is bij de geboorte nog lang niet voltooid.
De hersenschors oefent bij de pasgeborene geen remmende invloed uit op de dieper gelegen delen van de hersenen, omdat de myelineschedes (isolatielaag rond de zenuwvezels) nog niet gevormd zijn.
Deze schede is noodzakelijk voor de geleiding van impulsen via de zenuwvezels vanuit het zenuwstelsel en voor een juiste verdere geleiding van de impulsen binnen het zenuwstelsel.
De hersenstam en het ruggenmerg zijn echter bij de geboorte voorzien van een myeline schede en met behulp daarvan komen de bewegingen van het kind tot stand: de zogenoemde reflexen.
Een dergelijk reflex wordt altijd op dezelfde manier uitgevoerd bij dezelfde prikkel van buitenaf.
Deze bewegingen zijn levendig omdat het kind niet in staat is om deze bewegingen niet uit te voeren, omdat de remming tekort schiet. Dat heet inhibitie.
Reflexen die van belang zijn voor het latere bewegen
Grijpreflex van de voeten
Door op de bal van de voet te drukken kromt het kind de tenen. Het valt te begrijpen dat deze reflex onderdrukt moet zijn wanneer het kind gaat staan.
Babinsky reflex
Deze bestaat uit het naar boven buigen van de grote teen door met de nagel langs de buitenkant van de voet te strijken. Ook deze beweging moet zijn verdwenen als het kind gaat leren lopen omdat het anders de voet niet kan afwikkelen.
Automatische loopbeweging
Deze moet aanwezig zijn geweest. Om later een proces te bevorderen dat buiten het bewustzijn omgaat wanneer men loopt.
Parachute reacties
Reacties die ontstaan omstreeks de vijfde à zevende levensmaand. Dit is het vermogen om op het juiste moment bij vallen (of -later- springen) de armen of benen te strekken.
De tonische labyrint reflexen
Het labyrint is een evenwichtsorgaan in het binnenoor. Men denkt de volgende reacties aan het labyrint te kunnen toeschrijven.
- Veranderingen in de houding van het lichaam veroorzaken hoofdbewegingen die ervoor zorgen dat het hoofd weer loodrecht op het lichaam komt te staan.
- Omgekeerd brengen houdingsveranderingen van het hoofd veranderingen aan in de houding van het lichaam. Denk bijv. aan koprol en salto.
- Het labyrint is ook van belang voor het waarnemen van snelheid- en richtingsveranderingen.
De tonische halsreflexen
Deze worden zo genoemd omdat de houding van het hoofd en de hals invloed hebben op de spiertonus in de ledematen via de zintuigcellen van de halsspieren.
Asymmetrische halsreflex
Bij het draaien van het hoofd worden de ledematen aan de zijde van het aangezicht gestrekt. De andere zijde wordt gebogen. Bij draaiing van het hoofd wisselt het buigen en strekken van de zijde.
Symmetrisch tonische halsreflex
Deze reflex bestaat uit het buigen van de armen en het strekken van de benen wanneer het hoofd wordt gebogen. Wanneer deze reflex niet onderdrukt wordt is het kind niet in staat om te kruipen. Omdat kruipen een middel bij uitstek is om je voort te bewegen, mist een dergelijk kind veel bewegings- en belevingservaringen rond de tiende maand.
Voordelen van het kruipen
Lange kinderen hebben de neiging om niet te kruipen wanneer ze hierin niet gestimuleerd worden. Dit heeft te maken met de toch wat lage spiertonus en het niet in verhouding zijn van de ledematen.
Het kind wordt getraind in het omhoog houden van het hoofd, waarbij het reageert op alle auditieve en visuele prikkels die de aandacht van het kind vangen.
De mogelijkheid tot fixeren wordt bevorderd. De armspieren worden getraind. De hand wordt ver naar achteren gebogen, de vingers spreiden en buigen licht terwijl ze naar voren wijzen als voorbereiding op een natuurlijke houding van de hand bij het vasthouden van voorwerpen en gereedschappen.
Het bewegingspatroon van de benen komt op een hoger niveau. Het gekruiste bewegingspatroon (rotaties) is een voorwaarde voor een natuurlijke niet geforceerde manier van lopen.
De parachute reacties (valreacties) worden getraind en het kind wordt 'grondvriendelijk'; voelt zich op de grond op zijn gemak, is niet bang van de grond.
Dit in tegenstelling tot kinderen die veel in de box zitten en zich snel optrekken. Daardoor gaan ze te snel staan, kunnen (ongelukkig) vallen en houden het contact met de grond voor gezien.
Vaak zie je dat kinderen die een slechte parachute reactie hebben, slecht balanceren en dat zij hoogtevrees hebben.
Het eerste ontwikkelingsstadium van het kind is het sensomotorische. Voordat dit stadium volledig is doorlopen is het voor het kind niet mogelijk zich optimaal te ontwikkelen.
Kun je evenmin van het kind verwachten dat het zal leren lezen en/of schrijven.
Lange kinderen kunnen vaak niet kind op leeftijd zijn, omdat ze altijd worden aangesproken op hun “groot”
zijn. Het probleem dat ontstaat is dat er ontwikkelingsstadia worden overgeslagen waar het kind hinder van gaat ondervinden. Deze problemen zijn vaak van
sociaal-emotionele aard. Het kind heeft geen vaardigheden kunnen ontwikkelen om zich teweer te stellen in bepaalde situaties.
Ook kunnen er problemen gaan ontstaan naar de leergebieden, vooral wanneer de symmetrische fase niet goed wordt doorlopen.
De senso-motore ontwikkeling verloopt als volgt.
Van 0 tot 3 jaar
Slurf- of a-symmetrische fase
Deze fase kenmerkt zich door slurfbewegingen. Deze vinden plaats op basis van spanning en ontspanning, zoals
bijvoorbeeld het bewegen van een slang.
Als de ene hand een vuist maakt, spreiden de vingers van de andere hand zich.
Een bal wordt altijd schuin weggegooid.
In deze fase wordt taal concreet aangeleerd. De primaire en de secundaire woordgestalte ontstaat.
Van 3 tot 6 jaar
Symmetriefase
De symmetriefase kenmerkt zich door het symmetrisch meebewegen van de contralaterale lichaamszijde in spiegelbeeld.
Maakt men met de rechterhand een vuist, dan maakt de linkerhand ook een vuist.
Ook zie je, vooral bij moeilijke bewegingen, veel romp en mond motoriek.
In de symmetrie krijgen de primaire en de secundaire woordgestalten inhoud door het tweehandig begrijpen.
Er ontstaat een derde dimensie: de taal krijgt inhoud.
In de symmetriefase worden ook auditieve waarneming en de ruimtelijke beleving resp. oriëntatie ingeslepen en geoefend.
Doordat het kind symmetrisch is kan het met twee benen tegelijk springen. Het kan zich los maken van de grond. Er ontstaat bij het kind een geheel eigen IK.
Van 6 tot 8 jaar.
Lateralisatiefase
De lateralisatiefase kenmerkt zich doordat de duim van de voorkeurshand de functie overneemt van de andere hand: Oppositie van de duim.
In deze fase is het kind in staat fijne motorische handelingen te verrichten, zoals schrijven. Het kind is in staat bewegingen te laten plaats vinden vanuit de pols en de vingers, en niet meer vanuit de hele arm.
Van 8 tot………..
Dominantiefase
Dominantie houdt in dat het kind in staat is om onafhankelijke bewegingen te maken. Men spreekt van dominantie wanneer een hersenhelft overheerst bij alle functies en de andere coöperatief wordt.
Indien alle fasen goed verlopen, zullen er voor kinderen minder problemen ontstaan.
Het grootste probleem ontstaat op het moment, wanneer kinderen die nog onvoldoende gelateraliseerd zijn, handelingen moeten verrichten waar ze nog niet aan toe zijn.
Een kind dat midden in de symmetrie zit, heeft moeite met schrijven en kan zich niet goed concentreren.
Voorbeeld
De schrijfhand is licht gebald, de steunhand in spiegelbeeld ook. De schrijfhand beweegt zich van links naar rechts: de steunhand wil hetzelfde in spiegelbeeld.
Het gevolg: het papier wordt gedraaid, de letters staan niet meer tussen de regels, het potlood schiet uit, resultaat ......een slordig, niet leesbaar handschrift.
Door het steeds onderdrukken van de bewegende steunhand verliest het kind veel energie.
Dit gaat ten koste van het werktempo en de nauwkeurigheid (concentratie). Vertel dit kind nu maar dat het slordig is en confronteer het opnieuw met zijn of haar onmogelijkheden.
Gedragsproblemen laten niet lang op zich wachten.
Je kunt van een kind met deze problematiek niet verwachten dat het adequaat reageert op auditieve of visuele prikkels.
Perceptuele motorische koppelingen worden onvoldoende gemaakt. Kenmerkend is, dat dit kind vaak de klos is.
In de gymzaal zal het na het stopsignaal nog net even doorlopen en tegen anderen aanlopen. Het struikelt over de mat waar anderen keurig overheen lopen.
Het springt tegen de kast in plaats van erop of er overheen.
Bij balspelen krijgt het de bal tegen de neus in plaats van goed te vangen en schopt vaker de tegenstander dan de bal.
Het motorische noodsignaal dat door deze kinderen wordt uitgezonden moet begrepen worden.
Je bent een goede pedagoog wanneer je dit signaleert en probeert er iets aan te doen. Je mag er immers niet vanuit gaan dat het kind dergelijk gedrag met opzet toont.
De meeste problemen ontstaan vanuit een niet goed doorlopen symmetriefase.
Belangrijk is dan ook dat deze fase groot- en kleinmotorisch doorlopen wordt. Dit gebeurt in eerste instantie zonder handgereedschappen.
Alternerend en symmetrisch bewegen zijn de eerste oefengebieden.
De symmetriefase wordt doorlopen met steeds wisselende materialen waarbij het herkennen in nieuwe situaties van groot belang is. Er kunnen koppelingen gemaakt worden naar eerder opgedane ervaringen. Een combinatie van alternerende en symmetrische vaardigheden moet steeds het einddoel zijn.
Wanneer men kinderen optimaal wil laten functioneren, moet men teruggaan in hun ontwikkeling. Hen stof aanreiken op het voor hen haalbare niveau.
Vaak zie je kinderen snel veranderen wanneer ze in hun waarde worden gelaten.
Kinderen mogen niets fout doen. Het is absurd dat ze alleen negatief gewaardeerd worden. Een kind dat alles goed heeft gedaan wordt beloond met "0 fout".
Probleemkinderen vinden het heerlijk te merken dat zij ook naar behoren kunnen functioneren, zelfs met andere kinderen.
Wanneer er sprake is van een volledige acceptatie, zullen ze ook met volle inzet proberen het gevraagde uit te voeren. Vertrouwend op het besef, dat ze motorisch niet overvraagd worden, blijven ze optimaal presteren. Hun faalangst verdwijnt, waardoor ze steeds meer ontspannen nieuwe confrontaties aandurven, die zich niet alleen beperken tot motorische confrontaties.
Wil van Rijn
Centrum voor MRT-ABC
tel. nr.: 033 - 4 61 66 21
Reacties
Wie heeft over dit onderwerp meer informatie of wil ervaringen uitwisselen?
Reacties kun je sturen naar ons e-mail adres. Ook kan hierover in de discussielijst Lange
kinderen van gedachten worden gewisseld.
Laatste aanpassingen
De laatste aanpassingen op deze pagina zijn genaakt op 8 augustus 2009.
home
| e-mail